Kerk en Carnaval (vice versa)
Mensen zeggen tegenwoordig al gauw: “Ik heb de Kerk niet perse nodig, ik hoef niet perse naar de kerk te gaan om gelovig te zijn”. En daar zit natuurlijk een kern van waarheid in: alsof gelovig zijn alleen maar iets met de Kerk of met naar de kerk gaan te maken heeft. Van de andere kant verwordt geloof zonder Kerk (vaak ongemerkt) tot iets vaags in de trant van: “als je maar goed en aardig voor elkaar bent”. Dat geldt niet alleen voor het geloof, dat geldt evenzeer voor carnaval. Wat zou carnaval zijn zonder anderen die samen met ons carnaval vieren? Mensen zouden raar opkijken als iemand in zijn eentje carnaval zou vieren, en dan ook nog buiten het seizoen!
Ook een fenomeen als carnaval kan niet zonder een duidelijke structuur, een structuur die natuurlijk sterk door de traditie bepaald is, maar ook een structuur die “voorgegeven” is, dat wil zeggen dat niet iedereen precies weet waar die vandaan komt en waarom die zo is zoals ze is. Wie weet bijvoorbeeld, waarom een “elveraad” uitgerekend uit elf personen bestaat, en waarom diezelfde “raad van elf” eigenlijk alleen maar uit mannen bestaat, zoals oorspronkelijk ook alleen maar mannen carnavalsprins konden worden? Ieder rechtgeaard carnavalsvierder weet dat dat nu eenmaal zo is en aanvaardt dit ook spontaan, zonder zich echt af te vragen waarom dat nu eigenlijk zo is en niet anders. Zo is het in de Kerk niet anders. Alles wat in en voor de Kerk vanzelfsprekend is, is daarmee nog niet voor iedereen even inzichtelijk, laat staan acceptabel. Dat is nu eenmaal zo en het zij zo.
Misschien is het ook U al eens opgevallen dat er wel meer parallellen tussen Kerk en carnaval te trekken zijn: ondanks een college van (12) apostelen is er toch één persoon (de paus) die bij (moeilijke) beslissingen –als het er op aan komt – de doorslag geeft. Ook de Kerk kent haar “zittingen” (vieringen) die het saamhorigheidsgevoel versterken, zoals de Kerk ook haar “optochten” kent in de vorm van processies. Dat hoort er nu eenmaal bij, dat is zelfs nodig wil het (ook op geloofsgebied) iets worden. Waarom maken in de Kerk alleen paus en bisschoppen de dienst uit, waarom bestaat er in ons geloof zoiets als een “zondagsplicht”? Waarom zus en niet zo? Dat kunnen wij ons wel afvragen, maar het helpt ons niet echt verder. Eerder integendeel.
Laten we daarom ons geloof vieren zoals wij de komende dagen carnaval vieren: zonder ons al te veel vragen te stellen over het hoe en waarom. Laten we gewoon vieren wat er te vieren is en het vooral vieren zoals het altijd gevierd is. Laten wij ons de “sjpas” aan het geloof én aan de carnaval niet ontnemen door mensen die aan de kant blijven/gaan staan. “Sjpasverdervere” hebben altijd bestaan en zal er (helaas) altijd blijven. Vasteloavend tsezame!
Jos. L’Ortye, pastoor |