Vastentijd: aandacht voor het “milieu” Tegenwoordig hebben mensen veel aandacht voor het milieu, en dan met name voor onze natuurlijke (ecologische) leefomgeving: het gedeelte van onze fysieke omgeving (levende en niet levende natuur) waarin het menselijk leven en het menselijk bestaan mogelijk is en plaatsvindt. Die aandacht is er vooral gekomen sinds wij ons ervan bewust zijn dat er ook zoiets als milieuverontreiniging of -vervuiling bestaat: de aantasting van het milieu door menselijke activiteiten. Hierbij gaat het niet alleen om chemische verbindingen, maar ook om geluid, licht, straling en dergelijke. Er is sprake van verontreiniging als de concentratie van de stof of de intensiteit van het verschijnsel aanzienlijk boven het normale niveau ligt, met alle gevolgen van dien, zowel voor het milieu zelf als voor de mens die er deel van uitmaakt.
Er is niets mis met deze hedendaagse aandacht voor het milieu. Integendeel. “Het zevende gebod vraagt (immers) eerbied voor de heelheid van de schepping … De heerschappij over de bezielde en onbezielde natuur, die de Schepper aan de mens heeft toevertrouwd, is (echter) niet absoluut; ze wordt beperkt door de zorg voor de kwaliteit van het leven, met inbegrip van de toekomstige generaties; ze vereist een religieuze eerbied voor de heelheid van de schepping”(KKK 2416).Was er voorheen veel aandacht voor vervuilende bedrijven en industrieën, tegenwoordig zijn we ons ervan bewust dat ook ieder van ons (bewust of onbewust) zijn steentje aan de vervuiling van ons milieu bijdraagt. Denken we maar eens aan de “anti-rook-campagne” van de laatste jaren, met teksten op sigarettenpakjes en sigarendoosjes die er niet om liegen. We mogen de gezondheid van anderen, maar ook die van onszelf niet in gevaar brengen. En terecht: “het leven en de lichamelijke gezondheid zijn (immers) kostbare goederen die ons door God zijn toevertrouwd. We moeten er op een gepaste wijze voor zorgen, rekening houdend met de noden van anderen en met het algemeen welzijn … Toch maakt ons geloof er geen absolute waarde van. Ze verzet zich tegen een nieuw-heidense opvatting die erop uit is om de ‘cultus van het lichaam’ te bevorderen, daaraan alles op te offeren of de fysieke perfectie en de sportieve prestaties te verafgoden … De deugd van de matigheid zet ons ertoe aan om alle vormen van overdrijving te vermijden: misbruik van spijs en drank, alcohol, tabak en medicijnen”(KKK 2288, 2289 en 2290).
We zijn niet alleen onderdeel van het milieu, maar bepalen ons milieu ook grotendeels zelf, zowel ten voordele als ten nadele. Daarom is aandacht voor het milieu niet alleen een kwestie van oog hebben voor de rol van anderen daarin, maar ook en vooral voor onze eigen rol daarin. Het is daartoe dat de komende Vastentijd ons wil uitnodigen. Dat wij in en door de beoefening van de matigheid (soberheid) onze instincten leren beheersen en de “vrijheid van het hart” verwerven: om vrij van (verslavende) zelfzucht God en de naaste des te meer en des te beter te kunnen dienen (vgl. Gal 5,13)!
Jos. L’Ortye, pastoor
Kerk en Carnaval (vice versa) Mensen zeggen tegenwoordig al gauw: “Ik heb de Kerk niet perse nodig, ik hoef niet perse naar de kerk te gaan om gelovig te zijn”. En daar zit natuurlijk een kern van waarheid in: alsof gelovig zijn alleen maar iets met de Kerk of met naar de kerk gaan te maken heeft. Van de andere kant verwordt geloof zonder Kerk (vaak ongemerkt) tot iets vaags in de trant van: “als je maar goed en aardig voor elkaar bent”. Dat geldt niet alleen voor het geloof, dat geldt evenzeer voor carnaval. Wat zou carnaval zijn zonder anderen die samen met ons carnaval vieren? Mensen zouden raar opkijken als iemand in zijn eentje carnaval zou vieren, en dan ook nog buiten het seizoen!
Ook een fenomeen als carnaval kan niet zonder een duidelijke structuur, een structuur die natuurlijk sterk door de traditie bepaald is, maar ook een structuur die “voorgegeven” is, dat wil zeggen dat niet iedereen precies weet waar die vandaan komt en waarom die zo is zoals ze is. Wie weet bijvoorbeeld, waarom een “elveraad” uitgerekend uit elf personen bestaat, en waarom diezelfde “raad van elf” eigenlijk alleen maar uit mannen bestaat, zoals oorspronkelijk ook alleen maar mannen carnavalsprins konden worden? Ieder rechtgeaard carnavalsvierder weet dat dat nu eenmaal zo is en aanvaardt dit ook spontaan, zonder zich echt af te vragen waarom dat nu eigenlijk zo is en niet anders. Zo is het in de Kerk niet anders. Alles wat in en voor de Kerk vanzelfsprekend is, is daarmee nog niet voor iedereen even inzichtelijk, laat staan acceptabel. Dat is nu eenmaal zo en het zij zo.
Misschien is het ook U al eens opgevallen dat er wel meer parallellen tussen Kerk en carnaval te trekken zijn: ondanks een college van (12) apostelen is er toch één persoon (de paus) die bij (moeilijke) beslissingen –als het er op aan komt – de doorslag geeft. Ook de Kerk kent haar “zittingen” (vieringen) die het saamhorigheidsgevoel versterken, zoals de Kerk ook haar “optochten” kent in de vorm van processies. Dat hoort er nu eenmaal bij, dat is zelfs nodig wil het (ook op geloofsgebied) iets worden. Waarom maken in de Kerk alleen paus en bisschoppen de dienst uit, waarom bestaat er in ons geloof zoiets als een “zondagsplicht”? Waarom zus en niet zo? Dat kunnen wij ons wel afvragen, maar het helpt ons niet echt verder. Eerder integendeel.
Laten we daarom ons geloof vieren zoals wij de komende dagen carnaval vieren: zonder ons al te veel vragen te stellen over het hoe en waarom. Laten we gewoon vieren wat er te vieren is en het vooral vieren zoals het altijd gevierd is. Laten wij ons de “sjpas” aan het geloof én aan de carnaval niet ontnemen door mensen die aan de kant blijven/gaan staan. “Sjpasverdervere” hebben altijd bestaan en zal er (helaas) altijd blijven. Vasteloavend tsezame!
Jos. L’Ortye, pastoor
Als Kerstmis en Pasen op één dag vallen … Met de Advent beginnen we weer een nieuw “kerkelijk jaar”, die jaarlijkse cyclus rond de grote feesten van Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Het kerkelijk jaar opent met de Advent, de voorbereiding op het kerstfeest. Met Kerstmis vieren we dat God deze wereld is binnen gekomen, dat God “mens” is geworden. En dat niet alleen figuurlijk: dat Hij menselijke trekken heeft aangenomen, maar ook letterlijk: dat Hij als een mens ter wereld is gekomen. Maar hoe onvoorstelbaar dat op zich genomen al is, als mens verschenen heeft Hij ook nog lijden en kruis op zich genomen. Dat offer van zijn leven heeft God beloond met zijn verrijzenis en hemelvaart, “opdat bij het noemen van zijn naam iedere knie zich zou buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou belijden, tot eer van God, de Vader: Jezus Christus is de Heer”(vgl. Fil.2,6-11) Tegen die achtergrond vormt het Kerstfeest op haar beurt weer een voorbereiding op het Paasfeest. Pasen geldt immers als het “feest der feesten”, het “hoogfeest der hoogfeesten”, zoals de Eucharistie het “sacramenten der sacramenten” is. “Het liturgisch jaar is de ontplooiing van de verschillende aspecten van het ene paasmysterie. Dit geldt heel in het bijzonder voor de cyclus van feesten rondom het mysterie van de menswording (de Aankondiging, Kerstmis, Openbaring des Heren), die het begin van ons heil gedenken en ons de eerste vruchten van het paasmysterie meedelen”(KKK 1169 en 1171). Met andere woorden: geen Kerstmis zonder Pasen, zoals er trouwens ook geen Kerstmis kan zijn zonder Advent. Zonder voorbereiding weten we immers niet wat we eigenlijk met Kerstmis vieren, zonder deze voorbereiding stoten we niet door tot de diepere dimensie die achter het kerstfeest schuilgaat. Het kerstfeest wil immers meer zijn dan alleen maar “sfeer en gezelligheid”. Ten diepste gaat het immers om een (onze) God die ons menselijk nabij is gekomen, zo nabij dat we eigenlijk niet meer om Hem heen kunnen. Integendeel: de lange aanloop van de Advent via Kerstmis naar Pasen wil ons juist helpen erachter te komen waarom bij het noemen van Jezus’ naam “iedere knie zich zou (moeten) buigen, in de hemel, op aarde en onder de aarde, en iedere tong zou (moeten) belijden, tot eer van God, de Vader: Jezus Christus is de Heer”. De eerste bezoekers van de kerststal gingen ons daarin al voor: "herders en wijzen kwamen Jezus prijzen". Komt, laten ook wij de Heer aanbidden, God zelf zoals Hij in het kerstkind tot ons is gekomen; komt, laten ook wij onze knie buigen en belijden dat Jezus de Heer is. Mede namens ons kerkbestuur: Zalig kerstfeest.
Jos. L’Ortye, pastoor
Allerheiligen - Allerzielen De komende dagen van Allerheiligen en Allerzielen spreken - ondanks de ontkerkelijking - nog altijd tot de verbeelding en brengen mensen nog altijd in beweging, is het niet naar de kerk dan toch minstens naar het kerkhof. En dat terwijl Allerheiligen en Allerzielen toch vooral kerkelijke dagen zijn, dagen waarop wij ons realiseren dat wij tot een gemeenschap behoren, niet alleen tot een zichtbare gemeenschap (die van de “strijdende Kerk”), maar ook tot een onzichtbare gemeenschap, namelijk die van de “lijdende en zegevierende (triomferende) Kerk”. Tot aan de glorievolle wederkomst van de Heer “zijn sommigen van zijn leerlingen (immers) hier op aarde op pelgrimstocht, worden anderen, nadat zij gestorven zijn, gelouterd en weer anderen verheerlijkt”. Desalniettemin “leven wij, hoewel in verschillende gradaties en op verschillende wijze, in de gemeenschap van dezelfde liefde tot God en de naaste, en wij zingen hetzelfde loflied tot onze God. Immers, allen die van Christus zijn, vormen één Kerk, omdat zij zijn Geest hebben, en zijn in Hem met elkaar verbonden” (KKK 954).
Hoewel wij het misschien niet helemaal (of helemaal niet?) meer geloven zoals het ons van oudsher via de catechismus is ingeprent (en minstens voor onszelf al de hel en het vagevuur hebben afgeschaft), voelen wij toch wel aan dat het met de dood niet zomaar “over en uit” is, dat onze dierbaren na hun dood niet zomaar in het niets zijn opgelost. Maar waar zijn zij dan wel, als ze niet meer hier zijn? Leven zij dan alleen maar in onze gedachten verder, met als gevolg dat je een tweede keer sterft op het moment dat niemand meer aan je denkt en iedereen vergeten is dat je ooit hebt geleefd? Leven zij niet evenzeer verder, ja misschien wel nog meer, in Gods liefde die eeuwig is? In die eeuwige liefde mogen wij ons mensen veilig en geborgen weten, niet alleen straks in het “hier-na-maals”, maar ook hier en nu al.
En daarin zit juist het “probleem”. Als je die liefde (nog) niet eens kent, laat staan voelt, hoe zou diezelfde liefde dan straks je “hemel” kunnen zijn? Hoe zou je met iemand samen kunnen leven, als je je partner niet eens hebt leren kennen, laat staan waarderen? En zoals dat al geldt voor mensen, zo geldt dat ook voor God. Daarom is het beslist geen overbodige luxe om God middels het lezen en overwegen van de H. Schrift te leren kennen en te waarderen; is het beslist geen overbodige luxe om ons voor zijn liefde open te stellen, die middels het vieren en ontvangen van de sacramenten tot ons komt. Opdat God en zijn liefde straks des te meer voor je betekent, opdat je je straks in de hemel des te meer thuis zult voelen.
Allerheiligen en Allerzielen: dagen waarop wij onze verbondenheid met hen die ons voorgingen intenser dan gewoonlijk beleven. Dat deze dagen ook een uitnodiging zijn om onze verbondenheid met God in woord en sacrament beter te cultiveren. Dat zal er niet alleen toe bijdragen dat ons leven na de dood er “hemelser” op wordt, maar ons ook een (langere) omweg via het vagevuur besparen!
Jos. L’Ortye, pastoor
Geloofsestafette Vlak vóór de zomervakantie, op 24 juni j.l. kwam onze oud-pastoor Peter Joseph (Piet) Souren OMI (1931-2007) te overlijden. Na de uitvaartmis in onze kerk op zijn naamfeest (29 juni) volgde de begrafenis bij zijn medebroeders in Hulsberg (Wissengracht). Nadat hij de eerste jaren na zijn priesterwijding (1957) op Ravensbosch les had gegeven, maakte hij in 1972 de overstap naar het middelbaar onderwijs. Van 1982 tot 1993 was hij als ziekenhuispastor in Heerlen werkzaam, vervolgens van 1993 tot 1997 als overste van het klooster Ravenbosch en tenslotte van 1997 tot 2001 als pastoor te Wijnandsrade. Niet alleen zijn we hem dankbaar voor zijn pastoraat in onze parochie, maar ook voor een andere kostbare erfenis die hij ons heeft nagelaten: zijn miskelk. Een bijzondere kelk, niet zozeer vanwege de waarde die hij vertegenwoordigt, als wel vanwege de betekenis ervan.
Een priester is namelijk niets zonder kelk, niets zonder de Eucharistie. “Hun gewijde taak vervullen de priesters (immers) vooral in de ‘eucharistisch dienst’ of ‘synaxis’, waarbij zij in de persoon van Christus handelend optreden, zijn mysterie verkondigen en de smeekbeden van de gelovigen verbinden met het offer van Christus … Uit dit ene offer put heel hun priesterlijk dienstwerk zijn kracht” (KKK 1566).Toch is de miskelk die pater Piet ons heeft nagelaten ook nog anderszins bijzonder, omdat hij niet zozeer zijn persoonlijk eigendom was, als wel familiebezit. Deze kelk werd immers binnen deze familie van de ene op de andere priester overdragen.
De eerste die de kelk indertijd bij gelegenheid van zijn priesterwijding in 1896 mocht ontvangen was een Monfortaan (SMM): Johan Joseph Lamby (1871-1933) uit Klimmen (Craubeek), die in 1896 in Ottawa (Canada) tot priester werd gewijd en aanvankelijk als volksmissionaris werkzaam was in België en in Frankrijk. In 1911 verliet hij de Monfortanen en werd hij "wereldheer" (bisdompriester). Als zodanig was hij tot aan zijn dood in Noord-Frankrijk werkzaam. De volgende die de kelk mocht gebruiken was diens neef, ook een "wereldheer": Hubert Hendrik Souren (1908-1978) uit Wijlre (Schoonbron), die na zijn priesterwijding (1935) jarenlang als kapelaan in het Zuid-Limburgse werkzaam was, tot hij in 1960 pastoor in Roosteren werd. En uiteindelijk was het dus zijn neef, "onze" pater Pieter Souren die de kelk mocht overnemen, een "oblaat van Maria" (OMI), weliswaar geboren in Vijlen (aan de Ling), maar getogen in Walem (parochie Klimmen).
Binnen de familie fungeerde de miskelk dus als een soort “estafettestokje”. Maar ook de familie Souren loopt tegen het probleem aan dat er steeds minder mensen zijn aan wie het “stokje” kan worden overgedragen. De eeuwenlange estafette waarbij het christelijke en katholieke van de ene op de andere generatie werd overgedragen lijkt langzaam maar zeker tot stilstand te komen. Hoe zit het met ons eigen geloof? Koesteren we het alleen voor onszelf of durven we het ook verder te geven? Is ons hart er werkelijk zo vol van de onze mond ervan overloopt? Jos L’Ortye, pastoor
Vooor-naam Het eeuwenlange gebruik om kinderen naar hun ouders, grootouders resp. peetouders te vernoemen is de afgelopen decennia bijna helemaal in onbruik geraakt. Tegenwoordig krijgen kinderen vaak een eigentijdse naam of een die op dat moment toevallig “in” is. Vroeger rouleerde een bepaalde voornaam dan ook eeuwenlang binnen eenzelfde familie. Bij een naam als “Jan, Piet of Klaas” valt dat natuurlijk niet zo op, maar wel bij een bijzondere, “uitheemse” naam. Zo zorgde de Belgische Emile Claessens (1845-1885), sinds 1874 echtgenote van Andries L’Ortye (1847-1931), ervoor dat de voornaam “Emile” zowel in haar familie als hier in Wijnandsrade inburgerde (vgl. “De Röadsjer Mielen” in Bulletin Wijnandsrade nr.29).
Mijn voorvader Jean Lourtille (1646-1716) introduceerde de voornaam “Ou(l)ry” hier Wijnandsrade, toen hij zich hier in 1690 op de kasteelboerderij vestigde, de Waalse variant van Ulrich. Zijn vader heette al zo, terwijl ook een zoon (1682-1742) en een kleinzoon (1723-1761), beiden pachter op hoeve de “(Nieuwe) Bongard” alhier, deze typische voornaam zouden dragen. De naam “Ou(l)ry” heeft in de familie L’Ortye al oude papieren, een naam die via de families Xhervel en De Bombaye zelfs tot halverwege de veertiende eeuw terug te herleiden is, als een (van mijn voorvaderen) Ulric de Bombaye genoemd wordt als voogd van Mortier (1350).
Toch was deze typische voornaam “Ou(l)ry”, de Waalse variant van “Ulrich”, ook hier bekend dankzij ene Urlich Degens (1690-1759), die oorspronkelijk uit Heerlen kwam en die in 1733 hier in Wijnandsrade in het huwelijk trad, en zijn gelijknamige kleinzoon (1779-1827) in Swier. Het schijnt zelfs dat de bekende familienaam “U(e)rlings” van deze naam is afgeleid.
Hoe het ook zij: al deze naamdragers zijn genoemd naar de heilige Ulrich die wij telkenjare op 4 juli gedenken. Het betreft de H. Ulrich die al vijftig jaar lang bisschop van Augsburg was toen hij op 4 juli 973 op 80-jarige leeftijd kwam te overlijden. Hij was niet alleen succesvol bij de verdediging van de stad tegen de binnenvallende Hongaren (955), maar ook zegenrijk in zijn pogingen geloof en cultuur te bevorderen. Al met al een echte patroonheilige voor onze tijd, waarin belangrijke waarden als geloof en cultuur verloren dreigen te gaan. Misschien wel aanleiding om ervoor te zorgen dat zijn naam weer eens opduikt hier in Wijnandsrade: aanstaande ouders zijn bij deze getipt!
Jos. L’Ortye, pastoor
Processie De zondag na Pinksteren is het traditiegetrouw kermiszondag in Wijnandsrade. Dat er dan “ker-mis” in het dorp wordt gehouden heeft alles te maken met de “kerk-mis” die er dan wordt gehouden, niet zomaar een Mis, maar een speciale Mis met een bijzondere “uitstraling”. Want wat normaal gesproken binnenkerks wordt gevierd, wordt dan “uitgedragen”, aan de buitenwacht getoond; niet zomaar even buiten de deur gehouden, maar door het dorp rondgedragen. Dat is wat er gebeurt als er “sacraments-)processie” wordt gehouden. Ons katholieke geloof kent zeven sacramenten, allemaal heilig omdat ze iets concreet en tastbaar maken van Gods verborgen aanwezigheid en werkzaamheid in deze wereld. Van die zeven wordt er echter één “het Allerheiligste (sacrament)” genoemd. En dat is de heilige Eucharistie, het sacrament waarin onze Heer in “reële presentie” onder ons verkeert, het sacrament dat ons (gelukkig nog altijd) zo vertrouwd is, het sacrament dat we misschien wel zo vaak (kunnen) vieren en (mogen) ontvangen dat het eigenlijk helemaal niet meer als iets bijzonders wordt ervaren. Hooguit bij de viering van de Eerste Heilige Communie, want dan wordt er nog altijd een groot feest omheen gebouwd. Toch wordt het meer en meer duidelijk, dat het toch een zeldzaam sacrament begint te worden. Werd de Eucharistie vroeger iedere dag gevierd, tegenwoordig blijft dat in veel parochies beperkt tot in het weekend, en dan ook nog maar één keer per weekend, op zaterdagavond óf zondagmorgen. En zelfs dat wordt op veel plaatsen al niet meer gehaald. Tegenwoordig worden zelfs kerken gesloten, niet omdat er te weinig priesters zijn om de Eucharistie te vieren, maar omdat er te weinig mensen zijn die de Eucharistie nog willen meevieren. En toch is en blijft de Eucharistie het Allerheiligste, ja het Allerbelangrijkste sacrament in ons leven als gemeenschap en als gelovige. Een parochie waar de Eucharistie niet meer wordt gevierd staat op het punt uit en af te sterven, zoals een kerk waarin de Eucharistie niet meer wordt gevierd een museum dreigt te worden. Van de Eucharistie, het Allerheiligste, hangt dus veel, zo niet alles af. Het meevieren ervan is beslist geen overbodige luxe. Integendeel. Misschien is het meedoen aan en meelopen met de sacramentsprocessie wel een goede graadmeter voor ons besef van het belang en de noodzaak van de Eucharistie! Dat we onze Heer, werkelijk tegenwoordig in de H. Eucharistie, niet in de kou laten staan! Jos. L’Ortye, pastoor
Barmhartigheidszondag Sinds een paar jaar staat de zondag na Pasen (“Beloken Pasen”) in het teken van de “Goddelijke Barmhartigheid”, een devotie die door de Poolse zuster Faustina Kowalska (1905-1938) werd verspreid, met name via haar “dagboek” dat later (na aanvankelijke terughoudendheid en zelfs afwijzing van kerkelijke zijde) werd gepubliceerd. Volgens Zr. Faustina zouden op het jaarlijks te vieren “feest van de Goddelijke Barmhartigheid” de diepste diepten van Gods tedere barmhartigheid openstaan. Hij zou een hele oceaan van genaden uitstorten over die zielen die tot de fontein van Zijn barmhartigheid naderen. “De ziel die te biechten zal gaan en de heilige communie zal ontvangen, zal volledige vergeving van zonden en straf ontvangen. Op die dag staan alle sluizen van de hemel, waardoor de genade vloeit, open”. Het was onze vorige paus, Johannes Paulus II (1920-2005), die er zich persoonlijk voor inzette dat Zr. Faustina zalig (1993) en heilig (2000) werd verklaard en de devotie van de Goddelijke Barmhartigheid op de wereldkaart zette door de zondag na Pasen aan te wijzen als “Barmhartigheidszondag”. Voor velen was en is het daarom niet zonder betekenis dat hij zes jaar geleden op de vooravond van deze zondag kwam te overlijden. Die lijn wordt nu doorgetrokken als hij dit jaar op diezelfde zondag zalig wordt verklaard. De devotie van de Goddelijke Barmhartigheid is vooral bekend geworden van de afbeelding van Jezus als de “Koning van de Goddelijke Genade” die Zr. Faustina liet maken en verspreiden: Jezus gekleed in een wit gewaad, Zijn rechterhand in een teken van zegen opgeheven en de andere op de borst wijzend. Vanonder het kledingstuk gaan twee stralen uit, een rood en de ander wit, waarbij het rood bloed en het wit water voorstelt. Jezus zelf, die haar volgens eigen zeggen in een visioen verschenen was, had haar immers gezegd: “Schilder een afbeelding die overeenkomt met het voorbeeld dat je ziet, met het onderschrift: ‘Jezus, ik vertrouw op U’. Ik wil dat deze afbeelding vereerd wordt, eerst in jouw kapel en daarna over de hele wereld. Ik beloof je dat de ziel die deze afbeelding zal vereren, niet verloren zal gaan”. Volgens paus Johannes Paulus II was en is “de boodschap welke zuster Faustina bracht … het juiste en indringende antwoord dat God wil bieden op vragen en verwachtingen van de mensen in deze tijd welke gekenmerkt wordt door vreselijke tragedies”. Tragedies zijn er inderdaad te over, bevredigende antwoorden echter des te minder. Barmhartigheid is inderdaad niet het eerste waar wij spontaan aan denken als het erom gaat de grote problemen van deze tijd op te lossen. Toch zou het niet verkeerd zijn eens in die richting te gaan denken. De wereld zal er inderdaad niet beter op worden, als we niet eerst bij onszelf, in ons eigen hart beginnen …
Jos. L’Ortye, pastoor
Geloof in het (nieuwe) leven Het is inmiddels Aswoensdag als ik dit schrijf. Niet alleen de “drie dolle dagen” zijn voorbij, maar ook het mooie weer dat de afgelopen carnavalsdagen vergezelde. Toch is de vakantie nog niet voorbij, de carnavalsvakantie. Elders in den lande wordt die krokusvakantie genoemd. Twee verschillende namen, twee verschillende fenomenen en toch één en dezelfde boodschap: de lente is in aantocht. Zowel de krokus als de carnaval gelden immers voorboden van de komende lente. Het zit blijkbaar in de natuur, in onze menselijke natuur dat wij niet (kunnen) wachten tot het zover is, en alvast een “voorproefje” op de toekomst nemen. Ook al is het nog zo koud, het levenssap, het bloed kruipt waar het niet gaan kan: de krokus komt te voorschijn, en wij, wij zetten de bloemetjes alvast buiten, figuurlijk gezien dan. En wat de natuur ons voordoet, daar bouwt de genade (het geloof) op voort. En ook Jezus doet dat door in zijn prediking meermaals te verwijzen naar de lessen die wij uit de natuur kunnen trekken. Zo vergeleek Hij zijn aanstaand lijden en sterven met een graankorrel die in de aarde moet vallen en (af)sterven, wil hij vrucht kunnen dragen (Joh.12,24). Toch is dat niet zo logisch als het lijkt. De graankorrel die gezaaid werd lijkt immers in geen velde of wegen op de kiem die er later uit te voorschijn komt; ze is blijkbaar “van gedaante veranderd”. Hoe dit komt? Uiteindelijk is en blijft het natuurlijk een mysterie, maar wel een mysterie dat ons “onthuld” is in Jezus’ sterven en verrijzen. Zo zegt het ook de apostel Paulus: “de doden zullen verrijzen in onvergankelijkheid” en “wij zullen van gedaante veranderen”. Die “verandering” voltrekt zich natuurlijk in en door de dood. Echter niet alleen dan pas: die “verandering” voltrekt zich ook en vooral – zij het onzichtbaar – in en door het doopsel. Door het doopsel delen wij immers in Jezus’ dood; in het doopsel worden wij als het ware met Hem begraven en verrijzen wij ook met Hem tot nieuw leven (vgl. KKK 1227). Dat vraagt natuurlijk wel geloof, geloof in de kracht van het leven, het leven sterker dan de dood, het leven dat wij als gedoopten mogen leven. In dat geloof zijn de carnavallisten ons onlangs (onbewust) voorgegaan; in dat geloof mogen wij hen met Pasen (bewust) volgen. Dat is dan ook wat ik U alvast van harte toewens. Mede namens ons kerkbestuur: zalig Pasen!
Jos. L’Ortye, pastoor |